Wie jongeren wil voorbereiden op de toekomst, kan duurzaamheid niet behandelen als een bijzaak. De onderwijsbegroting 2027 zet terecht in op basisvaardigheden, burgerschap, digitalisering en de aansluiting op de arbeidsmarkt. Dat zijn belangrijke investeringen. Tegelijkertijd ontbreekt een duidelijke ambitie om duurzaamheid te verankeren in de kern van het onderwijs. Een gemiste kans.
Want de uitdagingen van deze eeuw vragen niet alleen om goed opgeleide werknemers, maar ook om betrokken burgers die begrijpen wat er op het spel staat en weten hoe zij kunnen bijdragen aan een duurzame samenleving. Klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, grondstoffen schaarste en de energietransitie zijn geen onderwerpen voor later. Ze bepalen de wereld waarin de huidige generatie opgroeit, leert en straks werkt.
De begroting biedt daarvoor wel degelijk aanknopingspunten. Burgerschap krijgt een prominentere plek, het curriculum wordt vernieuwd en er is aandacht voor klimaat en energie, de verduurzaming van schoolgebouwen en de voorbereiding van jongeren op een veranderende arbeidsmarkt. Dat zijn belangrijke stappen. Maar duurzaamheid wordt nog te veel gepresenteerd als een afzonderlijk thema en niet als een vanzelfsprekend onderdeel van goed onderwijs.
Juist dat is opvallend in het licht van de recente PISA-resultaten. Nederlandse jongeren schatten hun eigen invloed op milieuvraagstukken lager in dan leeftijdsgenoten in veel andere landen en voelen zich minder betrokken bij vraagstukken rond duurzaamheid. Dat zou ons aan het denken moeten zetten. Want hoe kunnen we van jongeren verwachten dat zij bijdragen aan oplossingen voor de grote maatschappelijke uitdagingen van deze tijd, als zij op school onvoldoende de kans krijgen om zich daartoe te verhouden?
Betrokkenheid ontstaat niet vanzelf. Jongeren ontwikkelen eigenaarschap wanneer zij kunnen werken aan echte vraagstukken, onderzoek doen in hun eigen omgeving, samenwerken met bedrijven, gemeenten of maatschappelijke organisaties en ervaren dat hun ideeën ertoe doen. Juist daar ligt de kracht van duurzaam onderwijs. Niet als extra vak of los project, maar als een betekenisvolle context waarin leerlingen leren onderzoeken, ondernemen, samenwerken, kritisch denken, keuzes maken en verantwoordelijkheid nemen.
De urgentie daarvan wordt steeds groter. De Klimaat- en Energieverkenning 2025 (PBL) laat opnieuw zien dat Nederland nog niet op koers ligt om alle klimaatdoelen te realiseren. De transitie vraagt niet alleen om technologische innovatie en politieke keuzes, maar ook om mensen die weten hoe zij kunnen bijdragen. Onderwijs speelt daarin een cruciale rol.
Daarom ligt er in deze begroting ook een kans. De investeringen in burgerschap, basisvaardigheden en toekomstgericht onderwijs bieden een stevig fundament om duurzaamheid sterker te verankeren in de onderwijspraktijk. Niet door het onderwijs verder te belasten, maar door verbinding te leggen met vraagstukken die jongeren nu al raken en die hun toekomst mede bepalen.
In een tijd van toenemende polarisatie, onzekerheid en maatschappelijke verandering kunnen we het ons niet veroorloven jongeren alleen voor te bereiden op een examen, diploma of baan. Onderwijs heeft ook de opdracht om hen toe te rusten voor hun rol in de samenleving. Om mee te denken, mee te doen en mee te bouwen aan de toekomst.
De onderwijsbegroting 2027 biedt daarvoor kansen. Maar als we jongeren echt willen voorbereiden op de wereld van morgen, dan hoort duurzaamheid niet thuis in een aparte paragraaf van het beleid. Dan hoort het thuis in het hart van goed onderwijs.
