LOGIN

De invulling en aanpak van duurzaamheids­educatie

melissa-askew-8n00CqwnqO8-unsplash
Elke maand publiceert Leren voor Morgen een recensie over iets wat interessant is voor duurzaam onderwijs. Deze maand de scriptie van Joanne Kooiman, Erasmus Universiteit Rotterdam. Ze deed onderzoek naar de invulling en aanpak van duurzaamheidseducatie in het voortgezet onderwijs (vo) en middelbaar beroepsonderwijs (mbo), aan de hand van het frame creation- model. Recensie van Henk Tameling en Chris Maas Geesteranus.

De overheid ondersteunt al jaren het uitgangspunt dat er meer duurzaam onderwijs gegeven moet worden op Nederlandse scholen. Toch gebeurt dat nog niet in alle onderwijstypen en blijken we veelal nog in de fase van incidentele projecten en toekomstscenario’s te zitten. De inmiddels afgestudeerde bestuurskundige Joanne Kooiman deed er onderzoek naar, ten behoeve van het voortgezet onderwijs (vo) en het middelbaar beroepsonderwijs (mbo): zie De invulling en aanpak van duurzaamheidseducatie.

Waar dit onderzoek over gaat

De auteur constateert dat bepaald nog niet structureel in het onderwijs (vooral het vo) is geïntegreerd. Ze voert daarvoor verschillende argumenten aan. Het belangrijkste is volgens haar, naast het gemis aan een eenduidige visie op ‘duurzaam onderwijs’, het gebrek aan een structurele en systematische aanpak van de verankering van duurzaamheidseducatie in het onderwijs. Haar hoofdvraag luidt dan ook: ‘Welke toekomstscenario’s kunnen worden ontworpen voor de invulling en aanpak van duurzaamheidseducatie in het voortgezet onderwijs (vo) en middelbaar beroepsonderwijs (mbo) in Nederland?’

Ze licht dit als volgt toe: ‘Dit onderzoek draagt bij aan een mogelijke invulling en aanpak van ‘duurzaamheidseducatie’ in het voortgezet onderwijs (vo) en het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) door een aantal toekomstscenario’s te ontwerpen in samenwerking met verschillende actoren. Door het toepassen van ‘design thinking’ ontstaat een vernieuwde blik op deze invulling en aanpak. (2015) biedt handvatten om deze vernieuwde blik te ontwikkelen.’

Geïntegreerde benadering gewenst

Het centrale onderwerp van deze scriptie, duurzaamheidseducatie, definieert de auteur als ‘ het leren over duurzaamheid, natuur en milieu ’. En ze omschrijft deze vorm van educatie als volgt: ‘ Deels vallen daar lessen onder over onderwerpen als biodiversiteit, grondstoffen en voedsel, maar ook over welzijn, circulaire economie en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Deze brede aanpak stelt leerlingen in staat om weloverwogen beslissingen te nemen rondom milieu-integriteit, economische levensvatbaarheid en een rechtvaardige samenleving wat resulteert in wereldwijde, nationale en lokale actie waarin mensen een positieve invloed hebben op het milieu. De verschillende onderwerpen moeten niet afzonderlijk van elkaar behandeld worden maar in een geïntegreerde benadering, zodat leerlingen verbanden kunnen leggen.’
Daarmee schetst ze een perspectief: ‘Qua functie [van duurzaamheidseducatie – HT] gaat het om bewustzijn creëren bij leerlingen, wat leidt tot een duurzame en veerkrachtige samenleving. Duurzaamheidseducatie vormt de sleutel tot menselijke ontwikkeling, hoe je leeft, produceert en consumeert.’

Invulling en aanpak in impasse

Gekeken naar de praktijk stelt de auteur vast dat de aandacht voor duurzaamheid in het vo erg versnipperd is. Het kan wat haar betreft een voorbeeld nemen aan het mbo waar al heel actief aan deze thematiek wordt gewerkt en waar al veel goede praktijkvoorbeelden aanwezig zijn. Ze trekt haar conclusie voorzichtig: ‘De invulling en aanpak van duurzaamheidseducatie lijkt (sic) in een impasse te zitten.’
Als oorzaken ziet ze: ‘Enerzijds vergt de integratie van duurzaamheidseducatie inspanningen van vele sectoren en actoren, op verschillende niveaus, waardoor het een groot veld is waarbinnen consensus gezocht moet worden. Anderzijds vinden er nog steeds veel discussies plaats over de concrete inhoud en vormgeving van duurzaamheidseducatie.’

Hier raakt de auteur een van de kernoorzaken van die impasse waar het onderwijs in verkeert als je het hebt  over duurzaamheidseducatie. Politici zijn vrijwel alleen bezig met kortetermijnoplossingen terwijl uitgerekend dit onderwerp om lange-termijnoplossingen vraagt, zowel qua inhoud en resultaat als qua financiering. Duurzaamheidseducatie komt alleen verder als je het docententekort structureel oplost én indien de competenties van leraren rond het lesgeven over een dergelijke integrale thematiek daarop worden ontwikkeld. Bijvoorbeeld via een , zoals tijdens de lerarenopleidingen en via nascholing. Wie weet of het, in oorsprong sympathieke en vernieuwende, project curriculum.nu hierin, althans aan de onderwijskundige kant, verbetering zal brengen. Maar ook dat is nu stilgelegd, in afwachting van besluitvorming (op termijn) van het nieuwe kabinet. En dus: het eenmalig rondpompen van 8,5 miljard euro voor onderwijsverbeteringen, zoals nu is gebeurd onder het, in 2021 nog demissionaire, vorige kabinet – slechts gedurende twee jaar en onder de misleidende titel ‘Nationaal Onderwijsprogramma’ – lost de crisis in het onderwijs bepaald niet op.

Conclusies en aanbevelingen

Uit dit onderzoek blijken voor de auteur vier ‘verhaallijnen’: belangrijke instrumenten voor verdere structurele inbedding van duurzaamheidseducatie in het onderwijs. Deze zijn volgens haar ook een verantwoordelijkheid van schoolbesturen. Puntsgewijs zijn de verhaallijnen:
Er moet een onderwijssysteem ontwikkeld worden waarin jongeren, met plezier en motivatie, oplossingsgericht nadenken over wat zij kunnen bijdragen aan een ‘volhoudbare wereld’.
De verschillende ministeries kunnen veel meer samenwerking zoeken en eindelijk hun verantwoordelijkheid oppakken, het ministerie van OCW voorop. De grondwettelijke vrijheid en inrichting van het onderwijs hebben daarmee niets van doen; wel de precisering van kerndoelen en eindtermen waartoe de rijksoverheid zich al vele jaren wél heeft verplicht.
Duurzaamheidseducatie is een vraagstuk van de hele maatschappij en behoort dus niet, zoals gebruikelijk, in de marge van ruimtelijke, juridische, financiële en sociale ontwikkelingen of beleid, meestal achter in een tekst, een ‘alineaatje’ te vullen.
De Sustainable Development Goals (SDG’s) bieden, inhoudelijk en ethisch, handvatten om de invulling van duurzaam onderwijs te versterken.

Wat we met dit onderzoek kunnen

Deze scriptie is geen klassiek wetenschappelijk onderzoek, in de zin van: waarneming, hypothese, nulhypothese, veldwerk, toetsing. Het is, zoals de auteur zelf ook aangeeft, ‘ontwerpend onderzoek’. Met een nogal open vraagstelling (zie blz. 10 waar het er slechts over gaat dat ‘naast een visie op ‘duurzaam onderwijs’ in onderwijsinstellingen, … een structurele en systematische aanpak nodig’ [is]). Verdieping van de vraagstelling rond structurele inbedding van duurzaamheidseducatie in het onderwijs komt dan ook pas tot stand door inbreng van de respondenten in en buiten het onderwijs zelf.

De auteur heeft met 33 respondenten gesproken en met acht van hen een focusgroep georganiseerd. Voor een scriptie is dit een flink aantal. Zo kon ze wat dieper ingaan op de voorlopige onderzoeksresultaten. Echter, nog steeds gaat het hier om indicatieve uitkomsten, zeker geen kwantitatief betrouwbare. Maar op deze manier legt de scriptie wel een goede basis voor systematischer vervolgonderzoek.
Indicatief of niet, het belang van de vier voorstellen (de verhaallijnen) is evident. Niet in het minst omdat ze al vele jaren (decennia soms, door de afhoudende beleidsinspanning van OCW) spelen en zijn gebaseerd op vijf dringende aandachtspunten:

1. Meer samenwerking en samenhang tussen stakeholders
2. Ruimte voor pilots, buitenschools leren en praktijklessen
3. Duidelijke regie
4. Overeenstemming over terminologie
5. Langetermijnstrategie

Vervolgens vindt ze dat deze kwesties moeten worden opgelost terwijl het inbeddingsproces gaande is. Ze ziet dit scenario als een frame voor het bouwen aan een vliegtuig terwijl het al in de lucht is; daarbij staat het vliegtuig symbool voor duurzaamheidseducatie. De vraag is overigens of dit  psychologisch een handige keuze is in deze tijden van stevige discussie over het gebruik van fossiele brandstoffen en, in dit geval, de belastingvrijheid daaromtrent; maar dit terzijde.

Een algemene aanbeveling in de scriptie is dat ook meer onderzoek nodig is naarwater al wél gebeurt rondom duurzaamheidseducatie in het onderwijs en waarom dat succesvol is. Daarbij kan men, afgezien van de individuele scholen die niet deel uitmaken van een bredere organisatie, denken aan bijvoorbeeld de Eco-Schools en de Geo Future Schools. Op de website van Eco-Schools is ook informatie over een project dat nauw samenhangt met de onderzoeksaanbevelingen van deze scriptie: https://wholeschoolapproach.lerenvoormorgen.org/nl/. Voor het mbo kan men denken aan het analyseren van de vele activiteiten die op dat onderwijsniveau reeds gestalte krijgen, zie https://www.duurzaammbo.nl/ en https://www.lerenvoormorgen.org/mbovoormorgen.

Mogelijk zal er weerstand ontstaan tegen het vak overstijgende karakter dat bij duurzaamheidseducatie principieel aan de orde is. In Vlaanderen heeft men daarnaar, al ging het over het hbo/wo, onderzoek gedaan. Het is de moeite waard daarvan kennis te nemen.

Tenslotte levert deze scriptie ruim voldoende denk- en handelingsstof voor organisaties die bezig zijn duurzaamheidseducatie te verankeren in het onderwijs. Zoals voor de leden van de Coöperatie Leren voor Morgen zelf!

    Deel deze pagina:

    Meer nieuws